Lord Byron bezingt de bronnen van Clitumnus

Lord Byron bezingt de bronnen van Clitumnus

Lord Byron bezingt de bronnen van Clitumnus

In Als het over liefde gaat: literaire pelgrimage in Umbrië (2019) wandelt Jannah Loontjens in de voetsporen van Frida Vogels.
In het boek refereert zij aan tal van schrijvers. Ook Lord Byron duikt op.

De eerste keer als Jannah Loontjens terugkijkt op een reis die zij in het verleden maakte:

‘Het uitzicht op Lac Léman, waar ook ons balkon om uitkeek, is niet alleen bekend van Nabokov, ruim tweehonderd jaar geleden keken ook Mary Shelley, Percy Bysshe Shelley en Lord Byron erover uit. Dat was in het jaar 1816. Regen stroomde en bleef stromen, het zou bekend worden als het jaar zonder zomer. In de donkere vertrekken schreven zij gedichten en op een avond daagde Byron zijn vrienden uit om een spookverhaal te verzinnen. Hier ontstond Mary’s idee voor haar Frankensteinverhaal. Ze dronken wijn en gebruikten laudanum.’

De tweede keer bereidt zij de route voor de volgende wandeldag voor:

‘We besluiten morgen een trein naar Trevi te nemen, waar we naar de bronnen van Clitunno kunnen lopen, die Frida ook in haar aantekeningen noemt. De wateren van de Fonti del Clitunno werden door de Romeinen als een heilige plaats beschouwd. Ze bouwden er een tempel en riepen er de riviergod Clitumnus aan. Ook Lord Byron bezocht de heilige bronnen en schreef erover in zijn gedicht “Childe Harold’s Pilgrimage”.’

Bij die constatering laat Jannah Loontjens het.

Dit is wat Lord Byron in De omzwervingen van Jonker Harold – in de vertaling van Ike Cialona uit 2009 – over Clitumnus en het heiligdom schreef (Canto IV, 66, 67 en 68):

‘Uw water niet, Clitumnus! In het dal,
Gelegen langs uw lieflijke rivier
Waar waternimfen in het fraai kristal
Zich wijdden aan hun onbeschroomd vertier,
Graast immer de als room zo witte stier,
O puurste aller watergoden! Haar
Schuldloos serene waterstroom was hier,
Door slachting niet bezoedeld, jaar na jaar
Een spiegel en een bad voor Schoonheids dochterschaar.

En op een heuvel langs uw oever wenkt
Een tempeltje dat ons een ruimte biedt
Waarin men u, Clitumnus, nog gedenkt.
Daarlangs verglijdt uw kabbelende vliet,
en uit het transparante water schiet
Een baars omhoog, de schubbben goudgetint,
Die van het leven in uw stroom geniet.
Een waterlelie zeilt er voor de wind
Naar een ondieper kreek, waar zij een toevlucht vindt.

Ga daar, passant, niet achteloos voorbij!
Als er een zefier langs uw voorhoofd streek,
Zijn ademtocht, en als in deze wei
Het groen nog groener en nog frisser leek,
En als de koelte zo weldadig bleek
Dat heel de stofkorst die zich had gespreid
Rondom uw ziel, voor deze wassing week –
Prijs dan Clitumnus die, voor korte tijd,
De reiziger verlost van zijn onlustigheid.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *