Alle dichters heten Byron

Alle dichters heten Byron

Alle dichters heten Byron

Raynor Winn en haar man Moth bewandelen in Het zoutpad: over oude wegen naar een nieuw begin (2019) het South West Coast Path. Ze starten in Minehead om uiteindelijk in Poole uit te komen. Onderweg hebben ze de nodige aanspraak. Ter hoogte van Bude ziet iemand (Grant) Moth aan voor een bekende dichter (Simon). Zelfs als hij dat ten stelligste ontkent, wordt hij niet geloofd. Er ontstaat een wonderlijke woordenwisseling, waarin de naam Byron valt:

‘Nadat ze allemaal een selfie met Moth hadden genomen, wij stampvol broodjes bacon zaten en onze rugzakken hadden volgestouwd met appels en water, ging we op weg; Grant bracht ons terug naar het pad.
“Nou, Simon, wat is daar in de andere kamer gebeurd?”
“Nee, het spijt me, maar dat is niet voor jouw oren bestemd. Belangrijker is de vraag: wie is Simon? Die wijn steeg me meteen naar mijn hoofd, maar toch, dat was wel raar.”
“Niet voor mijn oren bestemd? Zo gemakkelijk kom je niet…”
“En een dichter ook nog. Denk je dat het door die hoed komt? Ik lijk zo wel een beetje op mijn Ierse opa; misschien zie ik eruit als een rondzwervende Ierse dichter. De meisjes vonden dat ik heel artistieke handen had.”
“De meisjes? Wat…?”
“En ze wilden dat ik hun vriendinnen kom voorlezen als ze weer in Londen zijn.”
“Hoezo, zijn die analfabeet dan?”
“Nee, poëzie voorlezen.”
“Jij hebt nog nooit poëzie gelezen, tenzij je Beowulf poëzie noemt, of je vaders gedicht over de geit.”
“Ik heb altijd gevoel voor poëzie gehad.”
“Niet waar. Ha, noemden ze het zo, gevoel voor poëzie?”
“Dat is het enige waar jij aan denkt; wat er tussen de meisjes en mij gebeurde, was van een veel hoger niveau.”
“Ga toch weg, Byron, of zal ik je nu Simon noemen?”
“Spot jij maar; wij dichters zijn gewend om verkeerd begrepen te worden.”
“Flauwekul.”

(vertaling: Annemie de Vries)

(Opgedoken door Truus Ruijs)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *